Een groep mensen binnen onze vereniging houdt zich bezig met het zwartkruit-schieten.
Deze vorm van schieten gebeurt meestal met replica-wapens maar ook originele wapens komen voor.
Deze replica’s zijn vaak wapens uit de tijd van de Amerikaanse burgeroorlog of daarna.
Een zwartkruit-wapen laden vergt enige handigheid en duurt even. Tevens geeft het tijdens het schieten een flinke rookwolk.
Zwartkruit veroorzaakt nogal wat vervuiling van het wapen, dus na het schieten heb je nog wel wat schoon te maken.
Maar al met al is het een leuke bezigheid.

Wanneer, waar en hoe de eigenlijke ontwikkeling van het vuurwapen is begonnen, is niet precies bekend. Bekend is wel dat de Chinezen al in de 11e eeuw de samenstelling kenden van wat wij buskruit of zwartkruit noemen.
In andere verhalen duiken de namen op van Roger Bacon en Berthold Schwarz, een monnik uit het Duitse Freiburg. Naar deze laatste uitvinder is het buskruit of zwartkruit (Schwarzpulver) genoemd.
De algemene samenstelling van het zwartkruit is 75% salpeter, 15% zwavel en 10% houtskool. Op het moment dat iemand ontdekte dat met behulp van dit kruit projectielen vanuit een aan 1 kant dichtgemaakte buis konden worden verschoten, werd de kiem gelegd voor de vuurwapenontwikkeling.
Het grondprincipe van de vuurwapentechniek is tot op heden nog steeds hetzelfde.
Men maakte een ijzeren buis aan 1 kant dicht. Vervolgens werd er aan de gesloten kant een klein gaatje gemaakt.
Dit werd het zund- of ontstekingsgat genoemd. Het buskruit werd via de open kant in de buis aangebracht.
Vervolgens werd het projectiel, eerst van steen of ijzer, maar later van lood, op de kruitlading gedrukt.
Zodra het projectiel (meestal in de vorm van een bal, en om die reden kogel genoemd) was aangedrukt, was het wapen schietklaar.
Maar om de kogel te kunnen afschieten, moest het kruit worden ontstoken en daarvoor had men een vuurbron nodig.
Deze was er in de vorm van een lont of vuursteen en later kwam het percussieslaghoedje.

Het Lontslot
Het oudste ontstekingssysteem, het lontslot, werkt met een gloeiende lont die, uiteraard, voor het begin van de strijd diende te worden aangestoken.
Bij het overhalen van de trekker wordt de lont tegen het kruitvoorraadje in de pan gedrukt die vervolgens via het daarvoor bestemde gaatje (zundgat) achterin de loop de hoofdlading ontsteekt zodat het schot afgaat.

Het radslot
De geniale Leonardo da Vinci was de uitvinder van het radslot, een wapen dat werd opgewonden met een soort bovenmaatse horlogesleutel.
Deze sleutel bracht een gegroefd rad in beweging dat tegen een stuk pyriet vonken sloeg. Het principe van de hedendaagse wegwerpaansteker.
Hierdoor kwam het kruit in de pan waardoor de hoofdlading tot ontploffing werd gebracht.
Een geniale vondst van een geniale man die zijn tijd ver vooruit was.

Het vuursteenslot
Het idee om vonken te gebruiken leidde tot een Hollandse uitvinding.
Men ontwikkelde het zogenaamde snaphaanslot, gecombineerd met het eenvoudige lontslot en kwam tot het zogenaamde vuursteenslot.
Een uitvinding die weer later op de naam kwam te staan van de Franse wapensmid Marin le Bourgeoys uit Lisieux.
Dat zou 200 jaren stand houden.

Het slag- of percussieslot
Het slagslot werd omstreeks 1810 uitgevonden.
Bij dit mechanisme was de haan omgevormd tot een soort hamer met een hol slagvlak en de pan vervangen door een schoorsteentje waarop een slaghoedje werd geplaatst.
De klap van de hamer op het schoorsteentje resulteerde in een inwendige vuurstraal die onmiddellijk de kruitlading deed ontbranden.
Toch zou het nog jaren duren eer men massaal vuursteensloten tot slagsloten ombouwde.
De eerste in grote series ingevoerde achterlaadgeweren waren nog op slagontsteking gebaseerd.
Sneller herladen en minder beweegbare onderdelen maakten dit geweer veelzijdig.
Pas later begon men de hamers te vervangen door inwendig aangebrachte slagpinnen die centraalvuurpatronen deden ontbranden.
De meeste hedendaagse handvuurwapens werken nog steeds volgens dit principe.
